1. Staande organisaties

 

Terug – Staande organisaties – Theorie – Toepassing – Kennistoets

1. Staande organisaties

Projectresultaten worden gerealiseerd om waarde en betekenis toe te voegen aan staande organisaties. Via projecten kunnen deze staande organisatie hun processen verbeteren, verdiepen of verrijken. Het is belangrijk dat de projectmanager kennis heeft van de staande organisatie, omdat die de context vormt waarin het project gerealiseerd wordt.

Theorie Staande organisaties

In dit hoofdstuk wordt aandacht gegeven aan:

  • Het primaire proces van de staande organisatie en de daarin opgenomen waardenkringloop;
  • De zes fundamentele elementen van de staande organisatie;
  • De zeven organisatieconfiguraties van staande organisaties volgens Mintzberg en de wijze waarop in die configuraties processen gestuurd en gecoördineerd worden;
  • Het stapsgewijs verfijnen van het primaire proces gedacht als systeem;
  • Culturen in staande organisaties.

Toepassing theorie Staande organisaties

Opdracht 1.1 Hoe ga ik om met dominante trekkrachten in organisaties?

Theorieboek: paragraaf 1.4.

Verwerkingsvorm: Groepswerk gevolgd door onderwijsleergesprek.

Auteur: Roel Riepma

  1. Vorm groepen van vier personen.
  2. Schrijf een aantal organisaties en/of afdelingen van die organisatie op, waarmee je te maken hebt gehad. Het liefst organisaties/afdelingen waarvoor je hebt gewerkt, zoals bijvoorbeeld een supermarkt. Je kunt ook voor scholen/onderwijsinstellingen kiezen waar je onderwijs of traingen hebt gevolgd.
  3. Ga aan de hand van de kenmerken voor deze organisaties na of je te maken hebt gehad met een:
    1. Ondernemersorganisatie
    2. Machinebureaucratie
    3. Professionele bureaucratie
    4. Gedifferentieerde organisatie
    5. Adhocratie
  4. Beschrijf de ‘dominante trekkracht’ die je hebt ervaren. Wie, welke mensen waren het sterkst bepalend in hoe jij/jullie de dingen moesten doen?
  5. Wat deed jij/deden jullie voor het onderhouden van een goede relatie met deze dominante trekkracht? Hoe bepaalden deze krachten jouw handelen?
  6. Welke vragen blijven onbeantwoord tijdens jullie discussie? Neem deze vragen mee naar het onderwijsleergesprek.
  7. Ga aan de hand van het groepsgesprek en het onderwijsleergesprek voor jezelf na in wat voor soort organisatie jij graag zou willen werken en waarom dat voor jou zo is?
  8. Ga aan de hand van het groepsgesprek ook na wat de kern van de primaire processen is waar jouw voorkeur naar uit gaat? Wat zegt deze keuze over jezelf?

Opdracht 1.2 Welke cultuur (of uitdaging) past bij mij?

Theorieboek: paragraaf 1.6.

Verwerkingsvorm: Groepswerk gevolgd door onderwijsleergesprek.

Auteur: Roel Riepma

  1. Vorm groepen van vier personen.
  2. Bekijk samen het cultuurmodel van Quinn & Cameron. Bedenk bij ieder kwadrant een aantal voorbeelden van organisaties die je zou rubriceren in dat kwadrant en vertel aan elkaar waarom je vindt dat juist deze organisaties in dat kwadrant passen.
  3. Ga daarna in je groep na welke kernkwaliteiten jullie elkaar toedichten ofwel ga na waarin je de ander echt goed vindt. Benoem dat van elkaar.
  4. Voer daarna een discussie in welke van de vier culturen deze kernkwaliteiten het beste tot hun recht zouden kunnen komen. Klopt dit met de voorkeuren die jullie hebben voor organisaties?
  5. Stel nu dat je met je gerichtheid op bijvoorbeeld “vermogen om mensen actief te laten participeren in de besluitvorming (past goed bij de familiecultuur)” gaat werken in een marktcultuur? Welke aanvullende kwaliteiten heb je dan nodig om te excelleren in deze cultuur?
  6. Pas soortgelijke redeneringen toe bij bijvoorbeeld het ontdekken van cultuurverschillen tussen de “adhocratische cultuur” en de “hiërarchencultuur” of de “marktcultuur” en de “adhocratische cultuur”. Welke kwaliteiten passen het best bij bepaalde culturen en welke kwaliteiten heb je aanvullend nodig om effectief in andere culturen te excelleren?

Kennistoets Staande organisaties

  1. Wat is het primaire proces van een organisatie?
  2. Welke samenhangende activiteiten voert een productieorganisatie uit voor de leveringen van producten en diensten aan haar klanten?
  3. Welke samenhangende activiteiten voert een “adviesorganisatie” uit voor de levering van producten en diensten aan haar klanten?
  4. Wat wordt achtereenvolgens verstaan onder de fundamentele elementen van de organisatie:
    1. de strategische top van een organisatie?
    2. het middenniveau van de organisatie?
    3. de uitvoerende kern van een organisatie?
    4. de technocratische staf van een organisatie?
    5. de algemeen ondersteunende staf van een organisatie?
    6. de cultuur van een organisatie?
  5. Verklaar per organisatieconfiguratie welke fundamenteel element het belangrijkste is en waarom dat zo is.
  6. Wat is een systeem?
  7. Geef met een voorbeeld aan waarom een organisatie als een systeem beschouwd kan worden.
  8. Welke vier kernculturen worden onderscheiden door Quinn/Cameron?
  9. “In een bedrijf is veel aandacht voor de omgeving en worden geconstateerde kansen actief en creatief benut.” Bij welke cultuur past deze waarneming het best? Wat zijn de kenmerken van deze cultuur?
  10. Bedenk ook bij de vier andere culturen een zinsnede, waarmee je de cultuur van het bedrijf kernachtig beschrijft.