B. Leiding geven zonder macht

 

Terug – Leiding geven zonder macht – Theorie – Toepassing – Kennistoets

B Leiding geven zonder macht

Inleiding

Dit hoofdstuk gaat over de relatie tussen macht en invloed. Het verschil tussen een projectleider en een lijnmanager is dat de eerste niet over hiërarchische bevoegdheden beschikt en toch gedaan wil krijgen dat projectmedewerkers hun verantwoordelijkheden nemen.

Theorie Leiding geven zonder macht

De volgende praktijktheoretische begrippen komen in dit hoofdstuk aan de orde:

  • Definities van macht en invloed;
  • Machtsbronnen;
  • Motivatie en gedrag;
  • Gedragsbeïnvloeding.

Toepassing Leiding geven zonder macht

De opdrachten hierna kunnen je helpen bij het toepassen van de theorie in concrete situaties.

Je krijgt een aantal praktijksituaties voorgelegd en door het uitvoeren van de gevraagde opdrachten krijg je een meer concreet zicht op vraagstukken van macht, invloed en gedragsbeïnvloeding.

Opdracht B.1  Groepsgesprek over casus

 Theorieboek: Paragraaf B.4.

Verwerkingsvorm: Groepsgewijze bespreking casus.

Auteur: Teun van Aken

Je bent projectleider van een onderzoeksgroep bij een productiebedrijf. Het onderzoek betreft het in kaart brengen van de meest waarschijnlijke oorzaken van klantenklachten. Die klachten variëren van te laat leveren, niet volledig leveren, verkeerd leveren tot en met facturering van zaken die niet geleverd zijn.

Samen met vier medestudenten heb je dit project opgepakt als afstudeeropdracht. Eén van de groepsleden fungeert als projectsecretaris en maakt notulen van besprekingen, legt uitkomsten van analyses vast, regelt de afspraken en doet voorbereidingen voor opzet en inhoud van het afstudeerwerkstuk.

Opdracht

  1. Beschrijf nauwkeurig de resultaatgebieden voor de projectsecretaris.
  2. Welke indicatoren zullen worden gebruikt, met welke kwantitatieve normen per indicator?
  3. Welke activiteiten worden minimaal vastgelegd?

Opdracht B.2  Individuele reflectie op basis van casus

Theorieboek: paragraaf B.5.

Verwerkingsvorm: Individuele reflectie.

Auteur: Teun van Aken

Marianne toont in de afgelopen vijf vergaderingen van de projectgroep weinig initiatief en lijkt haar interesse in het project te hebben verloren. Je bent projectleider en vindt dit jammer, omdat Marianne tot voor kort één van de drijvende krachten was van jouw project.

Je wilt met haar een gesprek aangaan maar snapt dat je het gesprek niet kunt openen met woorden als ‘weinig initiatief’ of ‘afnemende interesse’.

Opdrachten:

  1. Geef ten minste zeven gedragsbeschrijvingen die de interpretaties ‘weinig initiatief’ of ‘afnemende interesse’ zouden kunnen verklaren.
  2. Controleer deze beschrijvingen op hun objectieve waarneembaarheid en scherp de beschrijvingen indien nodig aan. Ga ervan uit dat de waarnemingen feitelijk juist zijn.
  3. Kies er één, hoogstens twee, waarmee je het gesprek met Marianne wilt openen. Welke vraag (vragen) stel je na de openingszin?

Voor extra verdieping zie F. Schulz von Thun, Hoe bedoelt u? Noordhoff, Groningen, 2008

Opdracht B.3: Functioneringsanalyse

Je voert een functioneringsanalyse uit aangaande een situatie waarin jij hinder ondervindt van iemands gedrag en dit graag wilt veranderen.

Theorieboek: paragraaf B.5.

Verwerkingsvorm: Analyse in duo’s.

Auteur: Teun van Aken

Neem beiden een persoon in gedachten van wie je hinder ondervindt en bedenk wat je graag zou willen veranderen. Het gaat hierbij niet om incidenteel gedrag maar om iets dat al langer speelt.

Het kan gaan om een docent, een administratief medewerker, een medestudent, een collega, een projectmedewerker of een vriend(in) enz.

Doe de analyse eerst voor de één en dan voor de ander. Degene wiens casus het betreft beschrijft eerst in algemene bewoordingen waar het om gaat. Vervolgens wordt de analyse onder leiding van de ander zo scherp mogelijk uitgevoerd.

Opdrachten:

  1. Beschrijf het waargenomen gedrag.
  2. Ga scherp na of het feitelijk waargenomen is en kwantificeer dit gedrag.
  3. Beschrijf, voor zover je daar zicht op hebt, de voortoestand.
  4. Beschrijf de natoestand. Dat zijn de reacties op het gedrag door anderen, maar vooral door jou zelf: hoe ga je er mee om?
  5. Geef van de reacties in de natoestand aan wat voor de betrokkene als beloning werkt voor zijn gedrag en wat als sanctie werkt.
  6. Wat zou je kunnen doen om je eigen gedrag minder belonend te maken voor betrokkene?
  7. Wat zou je aan je eigen gedrag kunnen veranderen om de kans op het ontstaan van het gewenste gedrag meer aan te moedigen?
  8. Maak van de antwoorden op vraag 6 en 7 een actieplan.

Kennistoets Leiding geven zonder macht

 

Bij de toepassingsopgaven heb je ontdekt hoe vaardig je bent in het gebruik van de theorie. De kennistoets is bedoeld om voor jezelf zeker te zijn dat je alle begrippen paraat hebt. Dat is vooral handig voor die situaties waarin je samen met anderen functioneringsanalyses wilt uitvoeren.

  1. Wat is het verschil tussen macht en invloed?
  2. Wat zijn de gevaren van het overmatig gebruik van elk van de genoemde bronnen van macht?
  3. Geef een definitie van motivatie.
  4. Kun je uitleggen dat ongemotiveerde studenten niet bestaan? Licht je antwoord toe.
  5. Waarom is het voor een projectleider niet effectief om te proberen de intrinsieke motivatie te beïnvloeden?
  6. Wat is het belangrijkste verschil tussen de macht van een lijnmanager en die van een projectleider? Licht je antwoord toe.
  7. In welke gevallen zal een projectleider bij het maken van afspraken de activiteiten ook zorgvuldig vastleggen?
  8. Wat is het moeilijkst bij het scherp beschrijven van het te beïnvloeden gedrag?
  9. Hoe komt het dat er geen ideale manier van leidinggeven bestaat?