D. Leiding geven aan teams

 

Terug – Leiding geven aan teams – Theorie – Toepassing – Kennistoets

Hoofdstuk D  Leiding geven aan teams

Projectresultaten worden meestal door teamwerk gerealiseerd.  Verschillende mensen met verschillende karakters en verschillende vakdisciplines werken samen om het projectresultaat te maken. Als projectmanager moet je goed met deze verschillen om kunnen gaan en er voor zorgen dat een gelijk gerichte energie ontstaat in de richting van het projectresultaat.

Theorie Leiding geven aan teams

In dit hoofdstuk wordt aandacht gegeven aan:

  • Regie van resultaat en relatie;
  • Situationeel leiderschap;
  • Managementvaardigheden;
  • Coachend leiderschap;
  • Teamwerk;
  • Teamontwikkelingsfasen;
  • Teamrollen en evenwichtige teams samenstellen.

Toepassing theorie Leiding geven aan teams

Opdracht D.1 Situationeel leiding geven

Theorieboek: paragraaf D.2.

Verwerkingsvorm: ‘eenvoudige’ oefening leiding geven.

Auteur: Roel Riepma

  1. Er worden vier groepen gevormd.
  2. De begeleider is de projectmanager.
  3. Iedere groep vormt een team. Ze krijgen op papier een eenvoudige oefening van de projectmanager, die in een kort tijdbestek afgerond moet zijn.
  4. Nadat de teams zich in hun taak hebben ingelezen, gaan ze de opdracht uitvoeren. Daarin kunnen ze elkaar tegenwerken of juist gaan helpen. Hoe ze het in het begin doen en uiteindelijk doen, is de kern van het spel.
  5. In de nabespreking is er aandacht voor:
    1. Werd er gestuurd op relatie of op resultaat
    2. Hoe ontstond de tegenwerking?
    3. Hoe ontstond de samenwerking?
    4. Was er iemand die daar het voortouw in nam?

Opdracht D.2 Vertrouwen winnen

Theorieboek: paragraaf D.2

Verwerkingsvorm: Groepswerk gevolgd door onderwijsleergesprek

Auteur: Roel Riepma

  1. De groep wordt verdeeld in tweetallen.
  2. Één van ieder tweetal wordt geblinddoekt.
  3. Daarna krijgen de groepen de opdracht om een bepaald parkoers te doorlopen en tegelijkertijd het vertrouwen in elkaar te behouden. Het team dat in een bepaalde tijd de langste koers weet af te leggen, is de winnaar. Bonuspunten zijn er voor de moeilijkheidsgraad.
  4. In de nabespreking aandacht voor:
    1. Hoe heb je de leiding ervaren?
    2. Waardoor/wanneer kreeg je vertrouwen?
    3. Waardoor/op welke momenten viel dit vertrouwen weg?
    4. Wat vond je prettig?
    5. Zijn er leiders die ongeduldig werden? Hoe ben je daarmee omgegaan?
    6. Welke stijl hanteerden de leiders: dirigerend, overtuigend, overleggend of delegerend? Klopt dit met de inschatting van bekwaamheid en bereidheid?
    7. Was de leider gericht op beheersing of op ruimte geven?
    8. Was de leider gericht op het interne proces of op het gestelde doel?

Opdracht D.3 Coachend leiderschap

Theorieboek: paragraaf D.2.

Verwerkingsvorm: Intervisie.

Auteur: Roel Riepma

  1. De groep wordt verdeeld in groepen van zes personen.
  2. De leden van de groep brengen een leervraag in en kiezen één van de vragen uit om uit te diepen.
  3. De methode die gevolgd wordt is een intervisiemethode – het zeven stappen model – die gericht is op het bewustzijn van de inbrenger, zodat deze verantwoordelijkheid kan nemen voor de oplossing van zijn vraag. Meestal is het zo dat anderen diverse aspecten herkennen die de inbrenger inbrengt en daardoor met hem leren.
    1. Inventarisatie en selectie van cases.
    2. De inbrenger licht de case verder toe.
    3. De adviseurs stellen 3 vragen. Twee van de drie  vragen refereren aan verduidelijk van de situatie, 1 vraag refereert aan het gevoel dat wordt opgeroepen door de manier waarop de situatie-inbrenger vertelt over de situatie. NB geen ja/nee vragen. Geen suggesties of oplossingen. OPEN VRAGEN!
    4. De inbrenger reageert op vragen.
      1. Eerst rubriceert hij de vragen naar warm/neutraal/koud
      2. De inbrenger beantwoordt de vragen (eerst warm, dan neutraal)
    5. Ronde inleving en probleem definitie door adviseurs. De adviseur herdefiniëren de vraag van de inbrenger. Ze doen dat in de vorm: Ik (naam situatie-inbrenger) heb het volgende dilemma, namelijk dat.. Eventueel is roddelen in deze fase een goed alternatief. De inbrenger gaat met z’n rug naar de groep zitten en luistert naar de roddels.
    6. De inbrenger formuleert doel en acties aan de hand van de volgende zinnen:
      1. Wat ik wil bereiken is…
      2. Wat ik ga doen is…
      3. Waar ik daarbij op let is…
      4. Wie ik daarbij inschakel is…
      5. Wat ik daarbij nodig heb is…
    7. Adviseurs geven tips en adviezen in de vorm van “Ik zou …..”. De inbrenger hoeft niet te reageren, maar ontvangt en doet er zijn professioneel voordeel mee.
    8. Nabespreking:
      1. Wat hebben jullie geleerd van deze methode?
      2. Wanneer is het toepasbaar?
      3. Wat zijn de onderliggende basisprincipes?
      4. Zijn die moeilijk toepasbaar? Zo ja, hoe komt dat?

Opdracht D.4 Teamwerk

Theorieboek: paragraaf D.3.

Verwerkingsvorm: Workshop.

Auteur: Roel Riepma

  1. Maak voorafgaand aan deze oefening de teamroltest. Deel de scores nog NIET met elkaar.
  2. Lees de tabel op bladzijde 250 van het leerboek en plaats bij de daar genoemde teamrollen de namen van klasgenoten
  3. Rondje complimenten:
    1. Je kiest één van de namen uit en geeft deze persoon een compliment op basis van een concrete situatie en dat wat je in de tabel gelezen hebt. Zoiets als: “Albert, toen wij laatste het verslag aan het afronden waren, heb ik jouw kritische objectiviteit heel erg gewaardeerd. Je bent weloverwogen en scherp. Een echte monitor.”
    2. Degenen die het compliment krijgt, Alfred in ons voorbeeld, zegt uiteraard “dank je wel” en geeft aan of de hem toebedichte teamrol ook daadwerkelijk de hoogste score had.
    3. Zo niet: wie heeft nog meer een compliment voor “Alfred” en komt op een andere teamrol uit. Opnieuw een compliment en het benoemen van de teamrol. Indien deze wel klopt, leest “Alfred” zijn scores voor.
    4. Daarna gaat Alfred weer verder met A. Etc.
  4. Nadat iedereen een compliment heeft gekregen, worden een aantal uiteenlopende opdrachten ingebracht door de groepsleider. De groep formuleert teams rondom de geformuleerde opdrachten, gebaseerd op hun kennis van de teamrollen.
  5. Als laatste opdracht wordt teruggegrepen naar eerder uitgevoerde opdrachten, die moeizaam verliepen:
    1. Welke teamrol miste?
    2. Welke teamrollen waren te dominant aanwezig? Welke valkuilen kwam je tegen? Welke uitdagingen waren nodig geweest om deze valkuilen op te heffen?
    3. Noteer nu in één kolom je kernkwaliteit en in een andere kolom je uitdaging. Wat staat er als je deze twee combineert tot één?

Kennistoets Leiding geven aan teams

  1. Uit welke vier kwadranten bestaat het model van situationeel leiderschap? Wat is het beoogde gedrag van de leider in elk van deze kwadranten?
  2. Geef een omschrijving van de managementrollen die Quinn in zijn model beschrijft. Welke rol past jou het best? Welke organisaties passen daarbij?
  3. Uit welke kernelementen bestaat de coachpijl?
  4. Aan welke kenmerken wordt aandacht gegeven om de resultaatgerichtheid van een team te versterken? Hoe doe je dat?
  5. Aan welke kenmerken wordt aandacht gegeven om de relatiegerichtheid in een team te versterken? Hoe doe je dat?
  6. Noem de vijf fasen van teamontwikkeling en geef aan aan welke kenmerken je deze fasen kunt herkennen.
  7. Welke negen teamrollen onderscheidt Belbin?
  8. Welke projecttypen onderscheidt Belbin en welke teamrollen zijn minimaal nodig in ieder projecttype?